Openingstijden
Minimaliseren

Maandag t/m vrijdag
08:30 - 18:00 uur

Telefonisch is de praktijk van maandag tot vrijdag bereikbaar van 8.30-18.00

DAP Soestdijkerstraatweg
Soestdijkerstraatweg 13
1213 VP Hilversum
T: 035-6217620
F: 035-6400182

Telefonisch bereikbaar van 8:30 - 17:00 uur

     
Honden
Minimaliseren

Suikerziekte

Wat is suikerziekte precies? 

Bij de vertering in de darmen wordt voedsel afgebroken tot voor het lichaam bruikbare bouwstenen. De koolhydraten worden in de darmen voornamelijk afgebroken tot een suiker dat glucose wordt genoemd. Glucose wordt vanuit de darm in het bloed opgenomen en na een maaltijd stijgt dus het aanbod van glucose vanuit de darm aan het bloed.

Voor de lichaamscellen is glucose bijna onmisbaar, niet alleen als bouwstenen maar ook als brandstof. De spiercellen en vetcellen nemen alleen glucose uit het bloed op als ze daartoe door het hormoon insuline zijn aangezet. Insuline, dat wordt gemaakt door bepaalde cellen in de alvleesklier, zorgt er dus voor dat deze lichaamscellen voldoende glucose kunnen opnemen en bovendien zorgt insuline er zo voor dat het glucosegehalte in het bloed binnen nauwe grenzen blijft.

Als er te weinig insuline is, blijft er teveel glucose in het bloed achter en is er sprake van suikerziekte. Bij suikerziekte is dus het glucosegehalte in het bloed, ook wel het bloedsuikergehalte genoemd, verhoogd. Veel lichaamscellen daarentegen hebben bij een tekort aan insuline juist een gebrek aan de brandstof en bouwsteen glucose.

Wat zijn de verschijnselen van suikerziekte?

Als er veel glucose in het bloed aanwezig is, zal er via de nieren glucose met de urine verloren gaan. De glucose in de urine trekt extra vocht mee waardoor de kat meer gaat plassen. Om niet uit te drogen, zal het dier vervolgens ook meer moeten drinken. Omdat glucose een belangrijke brandstof is die nu verloren gaat, zal het dier meer gaan eten en dus ook gewicht gaan verliezen. Als het dier lange tijd niet wordt behandeld, verslechterd uiteindelijk de eetlust en kan het ernstig ziek worden.

De belangrijkste verschijnselen zijn:

  1. Veel drinken.
  2. Veel plassen.
  3. Honger (in eerste instantie).
  4. Vermageren.
  5. Malaise en braken (later stadium).

De diagnose:

De waargenomen verschijnselen wijzen vaak wel in de richting van suikerziekte maar kunnen ook bij andere ziekten voorkomen. De definitieve diagnose wordt gesteld wanneer er bij een dier met verschijnselen van suikerziekte (bij herhaling) een te hoog glucosegehalte in het bloed wordt aangetoond (en ook de urine glucose bevat).

De kat:

Het ontstaan van suikerziekte bij de kat vertoont grote gelijkenis met het ontstaan van suikerziekte (ouderdoms-diabetes) bij de mens. Net als bij de mens zijn gebrek aan beweging en overgewicht factoren die de kans op het ontstaan van suikerziekte bij de kat sterk bevorderen. Deze factoren leiden tot een verminderde gevoeligheid voor insuline, waardoor er meer insuline moet worden gemaakt om het bloedglucosegehalte binnen de normale grenzen te houden. Te dikke dieren kunnen dus beter op een dieet worden gezet, zodat ze in enkele maanden tijd (niet te snel) weer een normaal lichaamsgewicht hebben.

Ook kan suikerziekte bij de kat ontstaan als bijwerking van bepaalde medicijnen. Bijnierschorshormonen (prednisolon, dexamethason etc.), die door bijvoorbeeld de dierenarts worden gebruikt om jeuk en bepaalde ontstekingen tegen te gaan, en ook medicijnen om de krolsheid bij de poes te voorkomen hebben een werking tegengesteld aan insuline. Hierdoor moet de alvleesklier meer insuline gaan maken, wat kan leiden tot uitputting van de insuline producerende cellen. Behandeling met deze middelen kan zo op den duur leiden tot suikerziekte en de situatie verslechteren als suikerziekte zich al heeft ontwikkeld.

In zeldzame gevallen kan de hypofyse, een hersenaanhangsel dat een centrale rol speelt in de hormoonhuishouding van het lichaam, bij de kat een teveel aan groeihormoon produceren.

Zowel bij de mens als bij de kat is er vaak sprake van het neerslaan van bepaalde stoffen in de alvleesklier met name als er veel insuline moet worden geproduceerd. Deze neerslagen zijn schadelijk voor de insuline producerende cellen en kunnen er uiteindelijk toe leiden dat de alvleesklier niet meer in staat is om voldoende insuline af te geven.

De hond:

Niet in alle gevallen is volledig duidelijk waarom suikerziekte bij een hond ontstaat. In sommige gevallen breekt het afweersysteem van de hond de cellen af die in de alvleesklier voor de afgifte van insuline zorgen. In andere gevallen leiden andere ziekten of behandeling met bepaalde medicijnen tot het ontstaan van suikerziekte bij de hond.

Bij de ziekte van Cushing produceren de bijnieren teveel van het hormoon cortisol. Cortisol vermindert de gevoeligheid van cellen voor insuline. Net zoals bij de kat kunnen dezelfde medicijnen ervoor zorgen dat er suikerziekte ontstaat.

Suikerziekte komt vaker voor bij teven dan bij reuen. De oorzaak hiervan is dat de eierstokken gedurende een periode van 8 tot 10 weken na elke loopsheid het hormoon progesteron afgeven. Dit kan bij de teef leiden tot een verhoogde productie van groeihormonen. Dit gaat de werking van insuline tegen. Juist in deze periode, na de loopsheid, kan dan ook suikerziekte ontstaan. Als dit gebeurt, moeten de eierstokken zo snel mogelijk worden verwijderd. Door het weghalen stopt namelijk de verhoogde productie van het groeihormoon weer en kan in de alvleesklier misschien toch nog voldoende insuline worden gemaakt om de suikerziekte weer te laten verdwijnen.

Ook teven waarbij de loopsheid met medicijnen wordt voorkomen hebben een licht verhoogde kans op suikerziekte. Teven waarbij de eierstokken operatief verwijderd zijn, hebben veel minder risico. Gesteriliseerde teven worden dan niet meer loops en hebben dan ook geen medicijnen meer nodig.

Algemeen:

Suikerziekte wordt veroorzaakt door een insulinetekort zoals eerder genoemd is. Daarom moet dit tekort dagelijks, op vaste tijdstippen, worden aangevuld met een insuline-injectie. De eigenaar van een dier met suikerziekte zal dus moeten leren insuline onderhuids te injecteren; dit lijkt eng, maar in de praktijk valt dit reuze mee.

Omdat de hoeveelheid insuline is afgestemd op de hoeveelheid glucose die uw dier op een dag nodig heeft, is regelmaat in de voeding belangrijk. Het is van belang dat het dier dagelijks een zelfde hoeveelheid voedsel van een zo constant mogelijke samenstelling krijgt. Eventueel overgewicht moet op verantwoorde wijze worden bestreden.

Bij een plotselinge toename in de dagelijkse activiteit verbrandt een dier meer glucose. Dit kan tot gevolg hebben dat het bloedglucosegehalte sterk daalt en er hypoglycemie ontstaat (dat is een te laag bloedglucosegehalte). Daarom is ook regelmaat in de dagelijkse activiteit van belang (vooral bij de hond).

Medicijnen die bij mensen worden gebruikt om de insulineproductie te stimuleren werken bij uw dier met suikerziekte bijna nooit. Wij raden dit dan ook absoluut af.

De vooruitzichten:

Meestal kan uw dier door een regelmatig leefpatroon en door behandeling met een insulinepreparaat een vrijwel normaal leven leiden. De levensverwachting van uw dier is dan ook vergelijkbaar met een dier zonder deze ziekte.

Te laag bloedglucosegehalte (hypoglycemie):

De belangrijkste complicatie van de behandeling van een suikerziektepatiënt met insuline is een te laag bloedglucosegehalte. Insuline heeft een verlagend effect op het bloedglucosegehalte. Als er meer insuline wordt toegediend dan nodig is, kan het bloedglucosegehalte te laag worden. Hoewel dit niet vaak voorkomt, is het belangrijk dat u weet hoe u in een dergelijke situatie het beste kunt handelen.

Een toename in de dagelijkse activiteit en/of een verminderde opname van voedsel leiden tot een verminderde behoefte aan insuline.

Als uw dier braakt of diarree heeft zal de vertering van voedsel minder goed verlopen dan normaal. Hierdoor zal er minder aanbod van glucose aan het bloed zijn, waardoor er minder insuline nodig is om het bloedglucosegehalte binnen de normale grenzen te houden. Ook fouten bij het toedienen van insuline zijn mogelijk. De toediening van insuline moet dan ook met de grootst mogelijke zorg gebeuren.

Bij een te laag bloedglucosegehalte krijgen de hersenen te weinig brandstof. Dit kan levensbedreigend zijn en daarom is het belangrijk dat u de verschijnselen herkent.

Verschijnselen:
  • Honger op onverwachte momenten.
  • Onrustig of juist sloom.
  • Trillen of rillen.
  • Vreemde bewegingen (omvallen, trappelen met de poten).
  • Diepe slaap, waaruit het dier slecht of niet wakker te maken is.

Heeft uw dier hier last van, is het belangrijk om er meteen wat aan te doen!

Geef meteen een maaltijd. Als uw dier niet meer in staat is om de maaltijd op te eten, moet zo snel mogelijk druivensuiker of een druivensuikeroplossing worden gegeven. U geeft hiervan ongeveer 1 gram druivensuiker per kilogram lichaamsgewicht. Als uw dier daarna niet direct verbeterd, neem dan direct contact op met uw dierenarts.

Als herstel wel optreedt, moet u het dier alsnog een maaltijd aanbieden. Houd uw dier ook goed in de gaten de daarop volgende uren.

Voor verdere vragen en/of informatie kunt u contact opnemen met uw dierenarts.




Terug

       
Copyright 2010 Dierenartsenpraktijk Soestdijkerstraatweg Hilversum
Privacybeleid | Gebruiksovereenkomst